Digitale spiegelreflexcamera

DSLR

Een digitale spiegelreflexcamera of een Digital Single-Lens Reflex camera (DSLR) is zoals een analoge spiegelreflexcamera, maar waar de fotografische film is vervangen door een digitale sensor. Het licht komt via het objectief in de camera en een spiegel reflecteert het licht naar de optische zoeker. Het beeld dat je ziet door de zoeker bij het scherpstellen, is ook het beeld dat de sensor zal zien op het moment dat je afdrukt en de beelddata worden opgenomen.

Schematisch weergegeven:

  1. het licht gereflecteerd door het onderwerp passeert via het lenssysteem van het objectief en het diafragma, om de camera binnen te komen en
  2. wordt gereflecteerd door de spiegel naar boven,
  3. richting matglas (halfdoorlatend focusscherm), waarna het doorgelaten licht,
  4. in het pentaprisma (vijfhoekig blok geslepen glas) wordt weerkaatst richting
  5. de optische zoeker (oculair) waar je het beeld dat door het objectief wordt gezien, kan beoordelen
  6. wanneer je op de ontspanner drukt wordt de spiegel opgeklapt (wat instaat voor het typische geluid van een spiegelreflexcamera) en wordt de mechanische sluiter geopend
  7. zodat het licht van je onderwerp op de sensor kan vallen (zolang de sluiter open staat) en waar dit beeld wordt omgezet in een digitaal signaal, dat wordt geprocessed en opgeslagen in een datafile

Op YouTube kan je dit moment van opname (6/7) in slow motion terugvinden:

Sensor

Digitale camera’s gebruiken een beeldsensor om licht om te zetten in elektronen en dit signaal dan te transporteren en digitaliseren. Vroeger ging het om een CCD (charge-coupled device), tegenwoordig meestal een CMOS (complementary metal-oxide semiconductor). Beiden chips zijn opgebouwd uit een 2D-array van miljoenen fotosensitieve cellen, die de individuele pixels uitmaken van het uiteindelijke digitale beeld.

De grootte van de sensor beïnvloed een groot aantal factoren in het uiteindelijke beeld en de functies van je camera en objectief. Er zijn drie basis sensorgroottes: Full Frames, APS en Four Thirds.
Veel camera’s hebben een beeldsensor die kleiner is dan het originele kleinbeeldfilmformaat (36×24 mm), meestal is de sensor ongeveer even groot als het APS-C-formaat (24×16 mm). Dergelijke camera’s hebben (voor gelijke brandpuntsafstand) een kleinere beeldhoek: de verhouding wordt cropfactor genoemd (diagonaal). De meeste consumer of prosumer DX-camera’s hebben een crop-factor van 1,5 (typisch Nikon) tot 1,6 (typisch Canon).
Camera’s met een beeldsensor die even groot is als het originele kleinbeeldformaat worden full frame  genoemd, dit zijn meestal de topmodellen van de fabrikanten die dergelijke FF/FX-modellen voeren.
Four Thirds sensorgroottes worden gebruikt in kleinere systeem- of point-and-shoot camera’s en hebben typisch een cropfactor van 2.

Grotere sensoren hebben grotere pixels en zijn dus lichtgevoeliger of hebben minder kans op ruis.  Wat resolutie aangaat: moderne camera’s hebben de dag van vandaag voldoende pixels om weergave op grote HD-monitoren of print-outs op groot formaat (veel groter dan A4!), zonder kwaliteitsverlies aan te kunnen. Trouwens scherpte van een beeld heeft meer te maken met jouw fotografische kunde, dan met het aantal MP van je camerasensor!

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren