Diafragma

De focale lengte of focuslengte van een objectief is de afstand van het optische centrum van de lens tot de beeldsensor. Hoe langer de focuslengte, hoe meer het objectief ‘vergroot’ of beter, hou kleiner de beeldhoek wordt. De lensopening (apertuur) bepaalt hoeveel licht er door het objectief gaat en op de beeldsensor valt. De controle hiervan gebeurt door het diafragma: de iris wordt groter of kleiner gemaakt (vergelijkbaar met de pupillen van onze ogen), om meer of minder licht door te laten.

Het f-getal is de relatieve maat om de opening van het diafragma weer te geven en is de ratio van de focuslengte en de opening van het diafragma (diameter), dus zonder eenheid. Hoe kleiner het f-getal, hoe groter de effectieve opening van het diafragma en hoe meer licht er doorheen gaat: dus f2.0 is een grote opening en f11.0 is zeer nauw. Als voorbeeld: een 50 mm lens met een irisopening van 25 mm heeft een effectief diafragma van 50/25=f2.0.

In de praktijk worden er discrete waarden gebruikt, f-stops genoemd, met steeds een halvering van het licht. De standaardreeks van f-stops is dus als volgt: 1,0 | 1,4 | 2,0| 2,8 | 4 | 5,6 | 8 | 11 | 16 | 22. Elke stap naar rechts betekent de helft minder licht omdat de iris de helft kleiner wordt (de diameter van het diafragma wordt telkens √2 of ongeveer 1,414 kleiner met als resultaat dat de oppervlakte van de opening halveert). Elke stap naar links heeft het omgekeerd effect: diafragma x 1,4 of verdubbeling van het licht.

De f-stop verkleinen van het objectief (dus diafragma groter maken) heeft drie gevolgen:

  • meer licht door de lens, dus hogere belichting
  • de scherptediepte neemt af, dus de achtergrond wordt waziger
  • de algemene scherpte van het beeld wordt minder en de chromatische aberratie neemt toe

De relatie tussen f-stop en belichting is niet-lineair: als je het diafragma met 1 stop vergroot (kleiner f-getal), dan verdubbel je het licht. Omgekeerd: met 1 stop verkleinen (groter f-getal), dan halveer je de belichting. Dus het diafragma openen met 2 stops, betekent dat je 4x meer licht laat doorgaan, 3 stops met een factor 8 , enz. Het is de oppervlakte van de lensopening die de belichting bepaalt (diameter²) en deze is per stop √2 of ongeveer 1,4x groter, vandaar de rare getallenreeks.

Op je DSLR kan je het diafragma instellen met de A-mode (aperture priority), terwijl je camera de belichtingstijd zal kiezen voor een goede belichting van je beeld. Met de keuze van je diafragma bepaal je hoeveel scherptediepte er in je beeld zal zijn (focus depth-of-field – focus DOF), namelijk de afstand t.o.v. je camera waarbinnen het onderwerp op de foto scherp wordt weergegeven. Hoe groter het diafragma, hoe kleiner de scherptediepte en omgekeerd.

Een mooie samenvatting op YouTube:

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren